Loading images...

Gesprek met Gazet van Klein Antwerpen

Vele van ons kunnen “Ik wil deze nacht in de straten verdwalen” wel meezingen.
Het lied van Cafe Breughel kennen we vast ook.
Maar…de man achter die liederen?
De stille wandelaar met de lange jas en pet woont bij ons in de wijk.
We moesten hem enkele jaren missen, leukemie is een akelige ziekte.
Maar hier is hij terug met zijn handen vol moed en het hoofd boordevol herinneringen, liedjes, bepeinzingen en plannen.

Wannes werd als Willy Cecile Joannes Van de Velde geboren op 29 april 1937, in de Zirkstraat, vlakbij de Veemarkt, in een huis met de rijkelijke naam “De Gulde Hant”, waarin toen, zoals vandaag nog steeds het geval is, een Spaanse winkel van wijnen en voedingswaren gevestigd was. Op de hoeken van de straat luisterde hij gretig naar de taal van Afrikaanse, Spaanse en Scandinavische zeelieden, en het Duits en het Engels van de soldaten.
Tijdens zijn middelbare studies werd het duidelijk dat Wim een talenknobbel had en het tegendeel voor wiskunde. In 1953 kon hij de studie aanvatten aan de Antwerpse Koninklijke Academie voor Schone Kunsten. Hele dagen tekenen….een godsgeschenk!

Klassieke gitaar leerde de jonge Wim bij Ilse Laforce, maar de drang naar het diepe en warme gezang van de Andalusiërs bleef zinderen.Hij droomde van een vertrek naar Spanje maar vond zijn flamencoleraar, Sabas Gomez y Marin, in Antwerpen.

Tijdens het werk aan “Mistero Buffo” in Duitsland, zo’n 33 jaar geleden, leerde hij zijn Christa kennen.
Wannes spreekt de taal waarmee hij is opgegroeid, het Antwerpse dialect.

Met koffie, chocoladekoekjes en kleine glaasjes wit op tafel zijn we paraat voor een uitgebreid interview…eerder een heel gezellige nanoen die we nimmer vergeten zullen.

Wannes, wanneer ben je beginnen zingen?
Eigenlijk heb ik altijd al gezongen.
Thuis waren er de volkse en romantische liederen.Mijn ouders waren goede zangers.
De oude liederen, die mondeling overgeleverd werden hadden mijn grootste belangstelling.
Het zingen voor anderen, beroepsmatig dan, is vrij vroeg begonnen uit een gevoel van onmacht. In een niet zo ver verleden waren de liedjeszangers ook al de spreekbuis van de machtelozen. Ze toonden de ernst van de zaak in een luchtig jasje, wat het alleen nog maar erger maakte. En ik reageerde zo op de ondoordachte afbraak van het oude Antwerpen in de jaren 50-60. In het publiek zong ik voor het eerst in een kleine kelder aan de Wolstraat en iets later schreef ik het satirisch-kritische “ Lied van de Neus”
De bron van wat ik nu doe, ligt eigenlijk bij mijn grootvader Guillaume Van de Velde. Hij was een gevoelig man, maar een eenzaat, en een heel goed zanger.Wat ik van mijn vader leerde, werd hèm door de zijne aangereikt. Een ketting. Mettertijd is zingen voor mij een ambacht geworden. De mensen moeten naar mij luisteren omdat het goed is en niet omdat ik in het dialect zing.

Wannes, heb jij dan die oude liedjes aangepast?
Neen, de oude liederen zing ik zoals ik ze geleerd heb, zoals ze vroeger gezongen werden.
De begeleiding is natuurlijk wel aangepast.”Werkman Komaan”bijvoorbeeld is een oud lied uit de Seefhoek, een levenslied met een basis van protest.
Die liederen, die manier van zingen, beïnvloeden wel sterk mijn eigen teksten.
Dat kun je horen, ik ben terug op tournee en er is een nieuwe cd in de maak.

We kennen enkele mooie boeken van je hand, waarom ben je beginnen schrijven?
Poëzie heb ik altijd al geprobeerd, met taal spelen en uitproberen…het is een stap naar de meer ritmische liederteksten.Op zekere dag, ergens in de jaren ’60 werd ik door een krant gevraagd een dagelijkse column te maken over alles wat verband hield met Antwerpen.
Wellicht omdat ik toen al bekend was als militant voor ’t behoud van het historische stadspatrimonium.
Dat voorstel nam ik met beide handen aan en deed het zo’n twee jaren. Het moesten geen politiek getinte stukjes worden, eerder mijmeringen over kleine zaken, monumenten en verloren hoekjes…historische thema’s ook. Een van mijn eerste stukjes ging over de Pietà op de hoek van het Scheldeken en de Rijkenhoek. Een Mariabeeld dat me echt ontroerde.Tussen de lijnen door zal er vast wel wat kritiek in zijn geslopen…
Nu goed; eind 1978- mijn echtgenote Christa en ik woonden toen al in de Van Dyckstraat en ik gaf les aan Studio Herman Teirlinck, vroegen de mensen van Knack me de column van Johan Anthierens over te nemen. Het was toen de periode van een regelrechte heksenjacht op chansonniers en variétéartiesten, door de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid. Maar mij kregen ze niet kapot, omdat ik” propere handen” had.En ik heb het voorstel van Knack aangenomen,mede omdat ik vreesde dat het met het zingen wel eens gedaan zou kunnen zijn.Ik heb het tien jaar gedaan.Later is er bij Manteau een bundeling verschenen, een stuk of veertig teksten van de ongeveer honderd twintig die ik schreef.

Is schrijven van stukjes anders dan liederteksten maken?
Met die stukjes over ’t Stad heb ik mijn pen leren gebruiken. Proza heeft uiteraard een andere ritmiek dan teksten die je wil gaan zingen. Je kunt er ook dieper mee gaan.Met taal kun je heel veel bereiken, momenten behoeden voor vergetelheid en er iets nieuws mee doen.
Door te schrijven leer je anders nadenken over de dingen en over jezelf,leer je jezelf ook beter kennen.
Tijdens mijn ziektedagen was schrijven een uitlaatklep.
Nu maak ik mij klaar om weer voor enkele dagen naar mijn geliefde Gent te gaan. Dan koop ik bij Proost een nieuw cursusblok en enkele potloden, en ga ik schrijven aan mijn volgende, nog embryonale boek.Het worden weer korte teksten, dagboekbladen en beschouwingen. Een roman ligt me niet.
Ik voel me goed in ’t neerschrijven van mijn gedachten. Alleen al de handeling, het grafisch omgaan met woorden, geeft me sterk het gevoel’ aanwezig’ te zijn.

Maak je ook iets over onze wijk?
Hier en daar sijpelt er iets van onze wijk in mijn teksten, in mijn liederen.
Zoals het lied over de bunkers van ’t stadspark. Die staan verstopt onder ’t groen maar de stille taal van die betonnen monumenten zonder zon en ziel vind ik heel beklemmend. Ik ga er vaak naar kijken.
Ik maakte ook het gedicht “Wereldstraat” voor het wijkfeest van enkele jaren geleden. Het werd overigens ook in het Hebreeuws vertaald.
En dan is er het lied “Café Breughel”.

Gaat dat lied echt over het café aan ons Pleintje?
Ja…de sfeer is nu niet meer zoals 10 jaar geleden maar toen ik dat lied maakte was er die jukebox met Amerikaanse songs en knipperden de lichtjes van de flipperkast, en daarboven dan de reproducties van Breughels werken. Toen werd daar in de namiddag al gedanst en gezongen.Ik voelde de sfeer daar aan zoals het lied het zegt.
Jaren voordien had ik overigens reeds een gedicht geschreven over dat café.

Wannes, je bent opgegroeid in ’t oude stadsgedeelte. Woon je hier dan wel graag? Wij hebben niet zoveel mooie huizen.
Maar ja, ik woon hier graag.
Eens was er een tijd dat ik aan verhuizen dacht, naar Gent en -veel vroeger – naar Spanje.
Nu wil ik hier niet meer weg.Er zijn hier ook nog mooie gebouwen bewaard gebleven, waarvan er enkele ook heel goed gerestaureerd zijn. Het huis van de vrijzinnigen aan de Lange Leemstraat is daar een voorbeeld van. In de straten naar de Belgiëlei toe staan, ietwat verstopt, nog enkele pareltjes van huizen uit de jaren dertig.
In de Korte Leemstraat en de Sint Jozefstraat staan ook nog enkele mooie huizen die in ’44 van de V-bommen gespaard bleven. Ook” Den Blok” aan het pleintje vind ik best mooi en vergeet het protestantse kerkje van de Bexstraat en de kapel van het Sint-Vincentius niet.
Goed dat die bewaard zijn.
Ik woon in deze wijk sinds 1973. Er is veel veranderd, vooral de laatste jaren.Het klimaat is veel kosmopolitischer, veelkleuriger, geworden.
Wandelen door onze straten is een ontspanning voor mij. Ik kijk graag naar de huizen en de mensen.

Wat vind je van de talen hier op straat?
Ik luister graag naar de muziek van de verschillende talen.
Deze wijk heeft veel sfeer, juist vanwege die versmelting van zo veel verschillende volkeren.
Antwerpen is altijd een stad van kooplieden geweest. De Antwerpenaren hebben zich altijd aangepast en spraken meerdere talen, zoals het echte kooplieden betaamt, en dat doen ze nu nog. Waar kennen gewone mensen zoveel talen als bij ons?
Soms hoor je oude mensen nog een met Antwerpse woorden doorspekt Frans spreken; een overblijfsel van de francofone bourgoisie die hier ooit woonde.Verder hoor je vele talen en zie je verschillende, vaak zeer kleurige klederdrachten.
Weet je dat er in de Jacob Jordaensstraat sinds enkele jaren een kerk is van zwarte Afrikanen? Die zingen prachtig! Het is een zegen dat de grote Sint Jozefkerk nu een orthodoxe kerk is geworden…ook zij hebben mooie gezangen.

En de joden…heb je hen al gehoord?
Ik kan daar enorm van genieten. Ja, ik woon hier graag!
En de recentere inwijkelingen,de Pakistani, Indiërs en zwarte Afrikanen, Polen en Russen…ze zijn voor mij hier allemaal welkom.

We lezen altijd dat Antwerpenaars zeurpieten zijn en dat de sfeer hier verzuurt.
Dat is zo maar ik denk dat dit maar een dunne schil is. In de grond is de kleine man tolerant.
Ik vind dat het onze plicht is om mensen die met een ransel vol problemen hun land ontvluchten hier op te vangen. Vlaanderen kende niet zo heel lang geleden ook een massale emigratie. Dat mogen we niet vergeten. We moeten die mensen leren kennen en hen laten voelen dat ze hier thuis kunnen zijn, zo ze dat willen.

Wannes, we zagen je al in ons buurtfoyer. Wat vind je van Elcker-Ik?
Elcker-Ik heeft een open creatieve sfeer en is een warme plek in onze wijk.Iedereen zou daar al eens moeten binnenlopen.
Ik vind dat ze daar ook fantastisch werk doen met de nieuwkomers.
Je moet eens zien hoe al die verschillende mensen rond Thierry en Harry zitten, die hen vertrouwd maken met het’ exotische’ Nederlands.
Op sommige dagen staat er achter de toog een man met een prachtige kop grijs haar en een heel radde tong, altijd te vinden voor een geanimeerde discussie, of een grap en een grol. Ze schenken daar ook lekkere porto en rode wijn.
Neen, ik ga daar graag een babbeltje doen, en zet me dan ook wel eens aan een tafeltje om te schrijven.
Ik ken Elcker-Ik al van vroeger, toen ze hun huidige behuizing nog niet hadden. Toen al voerde men daar gesprekken over zaken die bij de goegemeente nog zo een beetje taboe waren.
Elcker-Ick is een gedegen antwoord aan de macht, het is veel meer dan idealisme.
Humaan zonder flauwe kul.

Er was nog veel meer…. flarden gezongen tekst, de grapjes en de vele overpeinzingen…
Dat pakt niet op papier en houd ik stillekens voor mezelf.

Marleen Gijsel


Print pagePDF pageEmail page